Wenen en Parijs, 1905 — de zorgeloze Belle Époque

We blijven in Wenen, maar verspringen ruim een eeuw, naar 1905. Hier schreef Franz Lehár Die lustige Witwe — De vrolijke weduwe — al speelt het verhaal zelf zich af in de mondaine salonkringen van Parijs.

Dit is de wereld van de Belle Époque, het fin de siècle: de zorgeloze, licht decadente sfeer van Europa in de jaren vlak vóór de Eerste Wereldoorlog. Een tijd waarin men vluchtte in vermaak — in operettes, in champagne, in de eindeloze draai van de Weense wals. Niemand wist dat het de laatste mooie jaren van een oude wereld waren; juist daarom werd er zo uitbundig gefeest.

In Die lustige Witwe draait alles om geld en liefde. Een rijke jonge weduwe wordt omringd door gelukzoekers, terwijl het kleine, bankroete vorstendom Pontevedro hoopt dat haar fortuin in eigen land blijft. Te midden van een schitterend bal zingt zij een oud volkslied uit haar geboortestreek: het lied van Vilja.

Vilja is een bosnimf, een geest van het woud. Een jager ziet haar één keer tussen de rotsen en is voor altijd verloren. Hij smacht naar haar; zij trekt hem naar zich toe, kust hem tot hij duizelt — en verdwijnt dan, plotseling, voorgoed. De man blijft alleen achter, ziek van verlangen, roepend naar een wezen dat nooit terugkeert.

Het lied brengt twee werelden samen: de oude volksmythologie van de onbereikbare natuurgeest, en de luxueuze, romantische salonsfeer van 1905. Het bezingt het zoete, pijnlijke verlangen naar iets dat zich nooit laat vasthouden.

En toch klinkt het niet droevig, maar betoverend mooi — een melodie die blijft hangen lang nadat zij verklonken is. Dat is de paradox van de Belle Époque: zelfs het gemis werd omgesmeed tot iets waar je zorgeloos van kon genieten.