Bohemen, 1901 — de mystieke natuur van de laat-romantiek
Van de Weense balzaal reizen we naar de stille bossen van Bohemen. Lied aan de maan — in het Tsjechisch Měsíčku na nebi hlubokém — komt uit Rusalka, de opera die Antonín Dvořák in 1901 voltooide.
Dvořák schreef het grootste deel ervan in zijn geliefde zomerverblijf in Vysoká, een dorp omringd door de mystieke Boheemse wouden. De opera ging in première in Praag. Het is muziek die geurt naar bos, water en maanlicht — naar de natuur waarin Dvořák het liefst verkeerde.
Rond 1900 zochten componisten door heel Europa naar hun eigen culturele wortels. Zij vonden die in sprookjes, in oude sagen, in volksmuziek. Het was de tijd van de laat-romantiek en het nationaal besef: een fascinatie voor het bovennatuurlijke, voor de onbereikbare liefde, voor de diepe band tussen mens en natuur. Rusalka is daarvan doortrokken — het is het tragische sprookje van een waternimf, verwant aan het verhaal van de kleine zeemeermin.
In dit lied staat Rusalka aan de oever van haar meer. Zij heeft een mens gezien, een prins, en is verliefd geworden — verliefd over de grens van twee werelden heen. Maar zij kan haar wereld niet verlaten zonder offer, en hij weet niet eens dat zij bestaat. Dus richt zij zich tot het enige wat beide werelden kan zien: de maan. Zij smeekt de maan haar liefde over te brengen, haar boodschapper te zijn, de prins te vertellen dat zij aan hem denkt.
De maan schijnt, mild en ver, en geeft geen antwoord. Het is een lied van zuiver, hopeloos verlangen — lyrisch, melancholisch, zwevend tussen hoop en weemoed.
Het is een van de mooiste sopraanaria’s ooit geschreven. En het stelt een vraag die deze hele avond doortrekt: hoe overbrug je de afstand naar iemand die je liefhebt?